De veel geprezen regisseur Gus Van Sant (Kentucky, 1952) was al op zeer jonge leeftijd bezig met film. Tijdens zijn middelbareschooltijd maakte hij meerdere korte (experimentele) films op Super-8 formaat. Hij besloot zijn passie te volgen en ging studeren aan de kunstacademie van Rhode Island. Hier raakte hij geïnspireerd door toonaangevende regisseurs als Andy Warhol en Stanly Kubrick.
Na zijn opleiding werkte hij twee jaar in New York bij een reclamebureau. Met zijn verdiende geld maakte hij zijn debuutfilm ‘Mala Noche’ die warm werd onthaald op vele filmfestivals. Door de pers in Los Angeles werd deze film zelfs uitgeroepen tot beste onafhankelijke film van het jaar. Hij besloot dan ook zijn geluk in deze stad te beproeven.
Deze droomstart opende voor hem de deur naar Hollywood waar hij de kans kreeg om films te maken met een groter budget en een professionele cast en crew. Hij regisseerde in deze periode onder andere ‘Drugstore Cowboy’ en ‘To Die For’. Ook maakte Van Sant in die tijd de veelbekroonde arthouse klassieker ‘My Own Private Idaho’.
Bij het grote publiek werd hij echter pas bekend toen hij voor een Oscar werd genomineerd voor zijn regie in ‘Good Will Hunting’. Na dit succes besloot Van Sant terug te keren naar zijn woonplaats Portland (Oregon) om persoonlijkere films te maken.
Geïnspireerd op het bloedbad in Colombine regisseerde Van Sant de onconventionele film ‘Elephant’ waarmee hij een prestigieuze Gouden Palm won op het filmfestival in Cannes. Ook zijn volgende films ‘Last Days’, geïnspireerd op de laatste dagen van Nirvana zanger Kurt Cobain en ‘Paranoid Park’ over een jonge skater, werden voor deze hoge prijs genomineerd.
De met twee Oscars onderscheiden biopic ‘Milk’ betekende de terugkeer voor Van Sant in Hollywood. De film over de door Sean Penn gespeelde mensenrechtenactivist ‘Harvey Milk’ leverde hem zijn tweede Oscar nominatie op.